Fosfaatreductieplan: uitspraak hoger beroep en gevolgen

De Staat is in hoger beroep in het gelijk gesteld in een aantal procedures tegen het fosfaatreductieplan van de vonnissen van 4 mei. Hiermee komen ook alle vrijstellingen als gevolg van een positief besluit op de ‘lichte toets’ te vervallen. Dit zal vrijwel zeker ook gaan gelden voor de bedrijven, waaronder u, waartegen nu nog een hoger beroep loopt.

Er is geen uitspraak gedaan of het fosfaatreductieplan voor de individuele bedrijven onevenredige gevolgen heeft. Een beroep hierop is, naast cassatie of een bodemprocedure, de enig overgebleven mogelijkheid. Alhoewel de uitspraken niet ingaan op het fosfaatrechtenstelsel ligt het voor de hand dat ook bij de fosfaatrechten dezelfde lijn zal worden gevolgd.

Uitspraken

Het gerechtshof Den Haag heeft, kort samengevat, het volgende geoordeeld:

  • Artikel 13 van de Landbouwwet biedt voldoende grondslag voor het fosfaatreductieplan.
  • Het was voorzienbaar dat er op enig moment, na afschaffing van het melkquotum, een beperking aan de mestproductie zou worden gesteld. Dit geldt ook voor grondgebonden groeiers.
  • Er is sprake van inmenging op het eigendomsrecht. Bij de beoordeling of de inmenging gerechtvaardigd is, geeft het gerechtshof echter aan dat in algemene zin niet gesteld kan worden dat het fosfaatreductieplan (inclusief de korting van 4%) tot onevenredige gevolgen leidt. Met name is hierbij het oordeel t.a.v. de voorzienbaarheid meegenomen.
  • Het zou wel kunnen zijn, dat het fosfaatreductieplan in individuele gevallen tot onevenredige gevolgen leidt. Hierover is geen uitspraak gedaan, omdat voor deze beoordeling te weinig gegevens beschikbaar waren.
  • De mestproductie afkomstig van biologische bedrijven telt ook mee voor de bepaling van de nationale mestproductie. Om deze reden nemen de biologische bedrijven geen bijzondere positie in en zijn daarom ook niet vrijgesteld van het fosfaatreductieplan.
  • De veehouders hebben, indien zij meer dieren hebben gehouden dan op grond van het fosfaatreductieplan was toegestaan, dit op eigen risico gedaan.

Betalingsregeling

Onmiskenbaar is dat de uitspraak van het Gerechtshof grote gevolgen heeft voor de betrokken melkveebedrijven. Zoals ook in het arrest van het Gerechtshof is overwogen, hebben bedrijven die hebben besloten om hangende de gerechtelijke procedures geen gevolg te geven aan de Regeling dit voor eigen risico gedaan. Het hof geeft daarbij tevens aan ervan uit te gaan dat met de bedrijven in kwestie een oplossing kan worden gevonden. Aan de in de Regeling vastgelegde reductiedoelstelling zullen de desbetreffende bedrijven alleen voor de laatste uitvoeringsperiode van de Regeling alsnog kunnen voldoen, hetgeen betekent dat zij in het algemeen over de voorgaande periodes de heffing zullen zijn verschuldigd. Dat wordt met de uitspraak niet anders; op dit punt zie ik ook geen ruimte om daar aan toe of af te doen, omdat daarmee deze bedrijven in een gunstiger positie zouden worden gebracht dan hun sectorgenoten die zich aan de Regeling hebben geconformeerd. Tegelijkertijd heb ik er oog voor dat het in éénmaal moeten opbrengen van de alsnog verschuldigde heffing tot acute financiële problemen kan leiden. Daarom ben ik bereid om een betalingsregeling te treffen.

Individuele beoordeling

In de uitspraken is aangegeven dat, in bepaalde situaties, het fosfaatreductieplan voor individuele bedrijven wel onevenredige gevolgen kan hebben. Dit zou voor een aantal bedrijven nog een uitkomst kunnen bieden. Voor deze beoordeling zal een individuele procedure tegen een opgelegde heffing moeten worden opgestart. Voorop staat echter dat, zoals ook door het Gerechtshof wordt geattendeerd, van een individuele en evenredige last eerst sprake is indien een veehouder wordt geconfronteerd met feiten en omstandigheden die niet voor alle veehouders gelden en die meebrengen dat hij in bijzondere mate wordt getroffen door de maatregel. Voor de conclusie dat een dergelijke situatie zich voordoet, zijn bijzondere omstandigheden noodzakelijk. Niet ieder vermogensverlies zal meetellen als een evenredige last, terwijl bij beoordeling van deze vraag bovendien alle individuele omstandigheden van het geval in de afweging moeten worden betrokken. Het zijn deze lijnen waarlangs bedrijven die bezwaar maken tegen de heffing zullen worden getoetst

Conclusies en advies

De deelnemers aan het kortgeding zullen moeten overwegen welke eventuele juridische vervolgstappen zij gaan zetten. Dit geldt ook voor alle deelnemers aan de ‘lichte toets’. Voor veel bedrijven zal een bezwaar tegen de opgelegde heffing het meest voor de hand liggen. De grote vraag is echter in welke gevallen geoordeeld gaat worden dat de ‘last’ van het fosfaatreductieplan ‘onevenredig’ is. Onze inschatting is dat dit voor de meeste deelnemers niet zal gaan gelden. Echter het is aan de rechter om hier uitspraak over te doen.